SVPB neemt kerntaakdoorsnijdende en/of –overstijgende examens af. Daarom is een omrekening van de SVPB-examencijfers naar de kerntaken noodzakelijk zodat onderwijsinstellingen studenten kunnen beoordelen op kerntaakniveau. Dit is verplicht volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs.
De omrekensystematiek is afgestemd met de Onderwijsinspectie. Uitgangspunt vormt het Kwalificatiedossier mbo Particuliere beveiliging. In het profiel Beveiliger niveau 2 (Crebo 27122) staan bij de drie kerntaken de benodigde basiskennis, vaardigheden en de werkprocessen (handelingen). Deze basiskennis, vaardigheden en werkprocessen zijn uitgewerkt in exameneisen. De werkprocessen komen terug in het praktijkexamen.
De exameneisen zijn verdeeld over vijf examenonderdelen:
- basiskennis beveiliging
- wet- en regelgeving in het werkveld
- waarnemen basis
- het specifiek rapport
- proeven in de praktijk
SVPB examineert de vakkennis die per kerntaak wordt genoemd en één vaardigheid die bij elke kerntaak voorkomt met de volgende kerntaak-overstijgende examenonderdelen:
- basiskennis beveiliging
- wet- en regelgeving in het werkveld
- waarnemen basis
Deze examenonderdelen zijn aangemerkt als voorwaardelijke examens en wegen niet mee in de beoordeling van de drie kerntaken. De exameneisen die zijn ontwikkeld voor de vaardigheden en handelingen voor de drie kerntaken zijn verdeeld over de twee examenonderdelen:
- het specifiek rapport
- proeven in de praktijk
Rapportagevaardigheden, schriftelijk communiceren en het volledig informeren van een leidinggevende zijn elementair voor een beveiliger, zijn voor alle kerntaken belangrijk en worden daarom in elke kerntaak genoemd. Het cijfer voor Het specifiek rapport wordt daarom voor elke kerntaak even zwaar meegeteld.
De vaardigheden en handelingen worden getoetst in het examen Proeven in de praktijk basis. Elke kandidaat moet drie proeven afleggen. Elke proef is gebaseerd op de vaardigheden en handelingen van één van de drie kerntaken. De beroepshouding wordt overstijgend voor de drie proeven gemeten. De resultaten leiden vervolgens tot één cijfer voor het examenonderdeel Proeven in de praktijk (waarbij wel voor iedere kerntaak een minimumscore behaald moet worden om het examenonderdeel te behalen).
Gelet op de aanmerkelijke overlap van vaardigheden en handelingen en het gegeven dat in het examen de beroepshouding overstijgend wordt getoetst, wordt het cijfer voor Proeven in de praktijk voor elke kerntaak even zwaar meegerekend.
Bij het bepalen van de onderlinge verhouding tussen de examenonderdelen die de vaardigheden en handelingen toetsen is Proeven in de praktijk 4 keer meegeteld (3 proeven + 1 basisberoepshouding) en Het specifiek rapport 1 keer. Proeven in de praktijk weegt dus voor 80% mee m.b.t. de kerntaken. In dit examenonderdeel zitten immers de meeste vaardigheden en handelingen uit de kerntaken en laat de kandidaat zien of hij als beginnend beroepsbeoefenaar beveiligingswerkzaamheden kan uitvoeren. Het cijfer voor Het specifiek rapport maakt dan voor 20% deel uit van de beoordeling van elke kerntaak.
Voor het omrekenen van examencijfers naar kerntaken is een omrekentabel beschikbaar: